Jávea: bezienswaardigheden en wat te doen
Drie kernen, een vestingkerk en de kust ertussen. Wat je ziet en hoe je je dag indeelt.
Jávea is geen plaats maar drie plaatsen, en dat is het eerste wat je moet weten. Een oud dorp anderhalve kilometer landinwaarts, een vissershaven, en een strandwijk met een boulevard. Ze horen bij dezelfde gemeente, ze liggen op vijf autominuten van elkaar, en ze voelen compleet verschillend. Wie dat doorheeft, plant zijn dagen anders. Dit is wat er te zien is en in welke volgorde.
Drie kernen, één gemeente
Het oude dorp ligt landinwaarts, en dat is geen toeval. Wie hier in de zestiende eeuw aan zee bouwde, vroeg om bezoek van Barbarijse piraten. De kerk in het centrum is daarom een vesting, en daar komen we zo op terug.
De haven, Duanes de la Mar, is de tweede kern. Hier lagen de douane en de vissersvloot, en daar leeft de haven nog steeds van. Aan het eind van de middag komen de boten binnen en gaat de afslag open.
Het Arenal is de derde, en veruit de jongste. Dat is de strandwijk: een boulevard, terrassen, hotels en het enige echte zandstrand van de gemeente. In juli en augustus is dit het drukste punt van Jávea, in februari is het er stil.
De praktische consequentie: je hebt vervoer nodig. Tussen het oude dorp en het Arenal zit ruim drie kilometer, en daar loop je met een strandtas niet even heen. Er rijdt een lokale bus, maar in de praktijk doen de meeste bezoekers het met de auto of de fiets.
En de mentale consequentie: verwacht niet één centrum met alles erin. Jávea is een gemeente die je in stukken bekijkt.
Het oude dorp en de kerk die een fort is
De kerk van Sant Bartomeu is het gebouw waar je voor komt, en het is geen gewone kerk. Van buiten is het een fort: zware muren van lokale tosca-zandsteen, kantelen, schietgaten, openingen voor mortieren en boven allebei de deuren een machicoulis, een uitkragende stenen balkonrand waardoor je dingen op aanvallers kon laten vallen.
Dat is geen decoratie. De oudste delen gaan terug tot 1304, en in 1513 begon een grote uitbreiding onder de architect Domingo de Urteaga, van Baskische afkomst. De reden was tweeledig: de bevolking groeide, en de aanvallen vanaf zee moesten worden opgevangen. Als het misging, kwam het dorp hier binnen.
De stijl is isabellijnse gotiek, met één grote beuk en aan weerszijden drie kapellen tussen de steunberen. Sinds 1931 is het gebouw nationaal historisch-artistiek monument en sinds 2018 staat het als Bien de Interés Cultural geregistreerd.
Ga naar binnen als het open is, maar loop vooral eerst om het gebouw heen. De verdedigingskenmerken zie je alleen van buiten, en het is precies die combinatie van kerk en bolwerk die dit gebouw ongebruikelijk maakt. Vanaf de daken in de buurt, of vanaf de straat een stukje hoger, zie je de kantelen en de toren bij de apsis het best.
De markthal en de straten eromheen
Twee minuten van de kerk staat de overdekte markt, die Jávea sinds 1946 voedt, op de plek van een oud klooster. Van binnen is het mooier dan je van een markthal verwacht: een rij stenen bogen die het houten dak dragen, met daaronder de vishandelaren, slagers, groenteboeren en een bakker.
Hier koop je in de ochtend de vis van dezelfde vloot die in de haven aanlandt. De andere optie is de afslag zelf, aan het eind van de middag; hoe dat werkt staat in onze gids over de lonja.
De straten rond de kerk en de markt zijn het aangenaamste deel van het oude dorp. Smal, geplaveid, met witte gevels en tosca-steen om de ramen en deuren. Je loopt het in een half uur rond, en dat is ook precies hoe lang het leuk blijft als je alleen maar kijkt. Ga zitten, dan wordt het beter.
Let op de winkeltijden. Veel zaken in het oude dorp sluiten tussen twee en vijf, ook in het hoogseizoen. Wie om drie uur komt winkelen, vindt een gesloten dorp en een open terras.
De haven: Duanes de la Mar
De haven is het deel van Jávea dat nog werkt. Aan de ene kant liggen de jachten, aan de andere kant de vissersboten, en daartussen staat de afslag.
Het gebouw waar je hier voor omloopt, is de kerk van Nuestra Señora de Loreto, en dat is een van de merkwaardigste kerken van de Spaanse kust. Hij werd op 3 juni 1967 ingewijd en is ontworpen door Fernando García Ordóñez, met een dak dat de omgekeerde romp van een vissersboot nabootst. Een eerbetoon aan de vissers van Jávea, letterlijk in de vorm van het gebouw.
Bij de oplevering vond niet iedereen het mooi. Twee jaar later kreeg de architect er de Nationale Architectuurprijs voor, en inmiddels geldt het gebouw als een van de interessantere voorbeelden van naoorlogse Spaanse architectuur. Je vindt het aan de Calle Pío X, enkele meters van het strandje La Grava.
La Grava zelf is een kiezelstrandje direct aan de haven, met de boulevard ernaast. Het is niet het mooiste strand van de gemeente, maar het is wel het enige waar je na het zwemmen zo een terras op loopt waar de vis van vanmiddag op de kaart staat.
Kom hier tussen vier en zes uur ’s middags als je de haven wilt zien werken. Dan lossen de boten, rijden de koelwagens af en aan, en gaat de viswinkel open.
Het Arenal: het strand met de boulevard
Het Arenal is het enige echte zandstrand van Jávea, en daarom is het ook het drukste. De rest van de kust bestaat uit kiezel en rots; dat verklaart het heldere water en het verklaart ook waarom iedereen die met kleine kinderen komt hier terechtkomt.
De boulevard erachter is de commerciële kern van de gemeente: terrassen, ijs, strandtenten en ’s avonds muziek. In augustus is dat druk en luidruchtig, in mei en oktober is het aangenaam.
Aan de zuidkant van het strand loopt de kust over in het Segon Muntanyar, een vlakke rotsbank waar je niet op een handdoek ligt maar waar je wel in het water kunt. Dat stuk is een stuk rustiger en het water is er helderder. Welk strand bij wie past en hoe het parkeren in de zomer geregeld is, staat in de strandengids.
Wie hier zwemt met kinderen: het water loopt geleidelijk af en er is in het seizoen toezicht. Dat is op de kleine baaien verderop niet vanzelfsprekend, en dat is een reden om het Arenal niet af te doen als het toeristische strand.
De kust: kapen, baaien en vijftien uitzichtpunten
De baai van Jávea wordt aan twee kanten afgesloten door een kaap. In het noorden de Cap de Sant Antoni, in het zuiden de Cap Prim en verderop de Cap de la Nau. Daartussen ligt een kust van kliffen met kleine baaien ertussen.
Het slimste wat de gemeente heeft gedaan, is die kust ontsluiten met een route langs vijftien uitzichtpunten. De meeste zijn met de auto bereikbaar, sommige hebben een pad van een paar honderd meter. In twee uur zie je zo de hele kustlijn, van de vuurtoren in het noorden tot boven de Granadella in het zuiden.
De Cap de Sant Antoni is het bezoek waard om twee redenen. De vuurtoren staat er sinds 1861, en het uitzichtpunt ligt op honderdeenenzestig meter boven kliffen die tot honderdvijfenzeventig meter oplopen. Je kijkt over de hele baai en bij helder weer tot voorbij Dénia.
Vlakbij staan de Molins de la Plana, een rij oude windmolens op zo’n tweehonderd meter hoogte. Ook met de auto bereikbaar, en een van de weinige plekken waar je het landschap van de Marina Alta in één blik hebt: zee, kaap, berg en dal.
De baaien zelf, welke wanneer werkt en waar je parkeert, behandelen we apart. De bekendste is de Granadella; die heeft een eigen gids.
De Montgó als achtergrond
Alles in Jávea speelt zich af voor dezelfde achtergrond: de Montgó, 753 meter, een natuurpark tussen Dénia en Jávea. Vanaf het Arenal zie je hem als een silhouet aan de overkant van de baai, en vanaf de kustroutes staat hij de hele tijd in beeld.
Je hoeft hem niet te beklimmen om er iets aan te hebben. De berg bepaalt het weer, het uitzicht en de vorm van de kust. Maar wie wil klimmen: de route vanaf Jávea is steiler dan die vanaf Dénia en is voor ervaren wandelaars.
Aan de voet ervan, aan de kant van de zee, ligt de Cova Tallada, een zeegrot waar je alleen met een vergunning in mag in de drukke periodes. Die regeling is streng en er wordt op gecontroleerd; de data en de voorwaarden staan in onze wandelgids.
Het natuurpark zelf is vrij toegankelijk en heeft gemarkeerde paden. Waar het misgaat is de zomerhitte: er is geen schaduw en geen water, en de kalksteen kaatst de zon terug.
Actief: te voet en op het water
Jávea heeft voor een gemeente van deze omvang veel gemarkeerde paden: ongeveer vijftien routes en bijna 45 kilometer in totaal. Ze vallen uiteen in korte kustpaadjes en twee stevige dagtochten.
De kortste en de mooiste is de route naar Cap Prim, ongeveer een kilometer enkele reis, met de Cala Sardinera onderweg. De zwaarste is de rondwandeling rond de Granadella: 13,30 kilometer met 430 hoogtemeters. Beide, plus de regels en de valkuilen, staan in de wandelgids.
Onder water is deze kust interessanter dan erboven. De rotsbodems en de zeegrasvelden houden het water helder, en het zeereservaat bij Cap de Sant Antoni bestaat sinds 1993. Waar je snorkelt en wat er mag, staat in de gids over snorkelen en duiken.
Verder is er het gebruikelijke: kajak en supboard verhuren bij het Arenal, boten huren in de haven, en fietsroutes die vanaf de kust het binnenland in klimmen. Dat laatste is een discipline op zich; de Marina Alta is in het voor- en najaar vol wielrenners.
Eten, markten en feesten
Eten is in Jávea verdeeld zoals de rest: het oude dorp heeft de tapasbars en de kleine restaurants, de haven heeft de vis, en het Arenal heeft het volume.
Voor de adressen verwijzen we naar onze restaurantgids. De twee dingen die je hier niet moet overslaan zijn de rijstgerechten, die ’s middags horen en niet ’s avonds, en de vis rechtstreeks van de afslag.
De markten zijn een aparte bezigheid. Naast de overdekte markthal is er de wekelijkse buitenmarkt, en welke dag wat is staat in het marktenoverzicht.
En dan de feesten. Jávea heeft een volle kalender, met de Moros i Cristians en de feesten rond de patroonheiligen als hoogtepunten. Die verplaatsen het zwaartepunt van de gemeente een paar dagen naar het oude dorp of naar de haven. Data en wat er gebeurt: zie de fiestakalender.
Zo deel je je dag in
Een halve dag. Oude dorp in de ochtend: kerk, markthal, een rondje door de straten, koffie op het plein. Klaar voor de lunch, en dan naar het strand.
Een hele dag. Ochtend oude dorp, middag kust. Rijd de route langs een paar uitzichtpunten, eindig bij de Cap de Sant Antoni, en ga daarna naar de haven, waar om half vijf de viswinkel opengaat. Eten in de haven.
Drie dagen. Dag één het dorp en de haven. Dag twee de kust: een wandeling in de ochtend, een baai in de middag. Dag drie het water, met masker of met kajak, en de Montgó als je benen hebt.
Wat je in elk scenario beter niet doet: het oude dorp bezoeken tussen twee en vijf, of in augustus rond het middaguur bij de Granadella aankomen. In het eerste geval is alles dicht, in het tweede is de slagboom dicht.
Veelgestelde vragen
Hoeveel tijd heb ik nodig voor Jávea? Een halve dag voor het oude dorp en de haven, een hele dag als je de kust erbij doet, drie dagen als je ook wilt wandelen en zwemmen.
Kan ik zonder auto? Moeizaam. De drie kernen liggen kilometers uit elkaar en de mooiste baaien liggen aan smalle wegen. Er rijdt een lokale bus, maar met een auto of fiets zie je veel meer.
Wat is het bekendste gebouw? De kerk-vesting van Sant Bartomeu in het oude dorp, nationaal monument sinds 1931. De merkwaardigste is de kerk van Loreto bij de haven, uit 1967, met een dak in de vorm van een omgekeerde scheepsromp.
Wanneer kan ik het beste komen? Mei, juni, september en oktober. Dan is het water warm genoeg, zijn de paden begaanbaar en is er parkeerruimte.
Is er een zandstrand? Ja, het Arenal, en dat is het enige. De rest van de kust is kiezel en rots, wat het water helder maakt maar waterschoenen vraagt.
Hoe heet het nu, Jávea of Xàbia? Allebei. Xàbia is de Valenciaanse naam en staat op de meeste borden, Jávea is de Spaanse. Het is dezelfde plaats.
Beeldverantwoording
- De kerk-vesting van Sant Bartomeu boven de daken van het oude dorp: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
- Binnen in de overdekte markt van Xàbia: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
- Een straat in het oude dorp: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
- Het Arenal gezien vanaf de punt, met de Montgó erachter: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

MILO SCHUIJT