Het kasteel van Moraira en de wachttoren
Een fort uit 1742 op het strand, een toren van 165 meter hoog, en het piratengevaar dat allebei verklaart.
Op het strand van l’Ampolla in Moraira staat een rond stenen fort dat er niet helemaal bij lijkt te horen. Het is geen decor en geen replica: het is een achttiende-eeuws kustfort, gebouwd omdat deze kust decennialang werd overvallen. Een paar kilometer verderop staat op een klif van 165 meter een wachttoren die hetzelfde verhaal vertelt, maar dan tweehonderd jaar eerder. Samen leggen ze uit waarom Moraira eruitziet zoals het eruitziet.
Wat er op het strand staat
Het Castell de Moraira ligt aan de zuidkant van de Platja de l’Ampolla, op een rotspunt die net iets hoger ligt dan het zand. Je loopt er bij een strandwandeling zo tegenaan, en dat is precies de bedoeling geweest: het fort moest de baai en het strand bestrijken.
Wat opvalt als je eromheen loopt, is de vorm. De zuidkant, die naar zee kijkt, is halfrond. De noordkant, die naar het dorp kijkt, is recht en heeft één deur. In het Spaans heet die plattegrond een pata de buey, een ossenhoef, en dat is precies wat het is: een hoefvorm, met de ronding naar de vijand.
Het gebouw is kleiner dan het lijkt. Het totale oppervlak is ruim tweehonderd vierkante meter, verdeeld over drie beuken, waarvan de middelste veruit de grootste is. Het is dus geen kasteel in de zin van een burcht met zalen en torens, maar een compacte batterij: een plek om kanonnen neer te zetten en een handvol mannen te huisvesten.
De muren lopen in talud omhoog, schuin dus, tot een hoogte van ongeveer tien meter, opgetrokken uit lokale steen. Die schuine stand is geen esthetiek maar techniek: een kanonskogel die een schuine muur raakt, ketst af in plaats van in te slaan.
Waarom het er staat: de Berberse piraten
Om het fort te begrijpen moet je weten hoe onveilig deze kust was. Vanaf de zestiende eeuw werd de kust van Teulada stelselmatig bezocht door Berberse piraten uit Noord-Afrika. Die kwamen niet alleen voor buit maar ook voor mensen: gevangenen waren geld waard.
De overvallen bleven niet bij de kustlijn. Het binnenland was ook niet veilig; de piraten bereikten het dorp Teulada zelf. Dat verklaart meteen waarom de oude kern van Teulada een paar kilometer landinwaarts ligt en Moraira aan zee klein bleef. Wonen aan het water was eeuwenlang gewoon geen goed idee.
Er waren eerdere pogingen om de kust te beschermen die niet van de grond kwamen. Het fort dat er nu staat, is daar de uitkomst van: het resultaat van plannen die steeds sneuvelden, tot er in de achttiende eeuw eindelijk werd gebouwd.
Wie tegenwoordig op het terras bij l’Ampolla zit, kijkt uit op een baai die er vredig bij ligt. Dat is een vrij recente toestand. Het fort is het bewijs dat deze plek ooit een frontlinie was.
Het is de moeite waard om even stil te staan bij wat zo’n overval betekende. Het ging niet om een enkele nacht schrik. Hele families werden meegenomen en verkocht, en er bestond een levendige handel in het vrijkopen van gevangenen. Voor een dorp als Teulada was dat geen abstract risico maar een terugkerende ramp, en dat verklaart waarom er eeuwenlang zo veel geld en moeite in kustverdediging ging zitten.
1742: het jaartal in het wapenschild
Boven de enige deur, aan de noordzijde, zit een koninklijk wapenschild van het Huis Bourbon. Daarop staat het jaartal 1742, en dat is waarschijnlijk het jaar waarin het werk werd opgeleverd.
Dat jaartal heeft een hardnekkig misverstand rechtgezet. Lang werd aangenomen dat het kasteel uit de zestiende eeuw stamde en het werk was van Juan B. Antonelli, de ingenieur achter veel Spaanse kustverdedigingen. Dat klopt niet. Het gebouw is achttiende-eeuws, en uit een brief aan de gouverneur van Valencia blijkt dat de bouw in 1741 al liep. De bouwdirecteur heette Nicolas Bodin.
Het onderscheid is meer dan een detail voor liefhebbers. Een zestiende-eeuwse wachttoren en een achttiende-eeuwse batterij zijn twee verschillende antwoorden op hetzelfde probleem. De toren is er om te zien en te waarschuwen; het fort is er om terug te schieten. Moraira heeft ze allebei, met tweehonderd jaar ertussen.
Hoe het werkte als fort
In de borstwering zitten zeven openingen in de vorm van schietgaten, bedoeld om kanonnen op te stellen. Zeven stukken op een halfronde gevel betekent dat het fort de hele baai kon bestrijken zonder van positie te veranderen.
De noordkant, de landzijde, was het zwakke punt, en dat is verdedigd met alles wat men had. Er lag een gracht met een ophaalbrug ervoor, en daarvoor nog een tenaza, een uitstekend verdedigingswerk dat de poort dekte. Kijk bij de deur naar beneden: de brug en de uitgegraven ruimte eronder zijn er nog.
De binnenindeling in drie beuken paste bij die functie. De grote middenbeuk deed dienst als hoofdruimte, de twee smallere zijbeuken waren voor opslag en verblijf. Veel comfort was er niet; het was een werkplek voor een kleine bezetting, niet een woning.
Belangrijk om te beseffen: dit fort heeft vooral gewerkt door er te stáán. Een kust met een zichtbare batterij was een kust waar je niet zomaar aan land ging. Afschrikking was het product.
Van vervallen post tot beschermd monument
Het kasteel is in gebruik gebleven tot het midden van de negentiende eeuw. Daarmee sneuvelt nog een verhaal dat je ter plekke weleens hoort: dat de Engelsen het begin negentiende eeuw zouden hebben verwoest. Dat klopt niet, en het bewijs is bijna huiselijk. Er heeft tot ver in de twintigste eeuw nog een kasteelwachter geleefd.
Wat er daarna gebeurde, is het gewone lot van zo’n gebouw: het raakte in verval en stond decennialang te verkommeren aan een strand dat intussen een badplaats werd. Pas begin jaren tachtig is het gerestaureerd.
Sindsdien is het beschermd als bien de interés cultural, de zwaarste Spaanse monumentenstatus, onder kenmerk RI-51-0004773. Dat betekent dat er niets aan mag veranderen zonder toestemming, en het verklaart waarom het fort er tussen de moderne bebouwing nog steeds als zichzelf bij staat.
Voor wie van gebouwen houdt is dat de aardigste observatie van Moraira: het dorp is in vijftig jaar van vissersplaats tot internationale badplaats gegaan, en precies dat ene gebouw is niet meegegaan.
Wat die monumentenstatus praktisch betekent, merk je vooral aan wat er niet gebeurt. Er komt geen terras tegenaan, er wordt niets aangebouwd en er verandert niets aan de gevel. Restauraties moeten worden goedgekeurd en omkeerbaar zijn. Dat is de reden dat je hier, anders dan bij veel Spaanse kustforten, nog het oorspronkelijke metselwerk ziet in plaats van een gladgestreken reconstructie.
Binnen: de tentoonstelling over de wachttorens
Het fort is geen leeg gebouw. Binnen hangt een permanente tentoonstelling over de wachttorens uit de tijd van Filips II, en er draait een audiovisuele presentatie in meerdere talen over de zee en de piraterij. Die combinatie is goed gekozen, want de torens en het fort horen bij hetzelfde verhaal.
Reken op een bezoek van een half uur. Het is geen groot museum en dat hoeft ook niet: de waarde zit erin dat je het verhaal hoort terwijl je in het gebouw staat waar het over gaat, met de baai door de schietgaten zichtbaar.
Het praktische probleem is de openstelling. Het kasteel is traditioneel alleen in juli en augustus te bezoeken, en ook dan niet altijd de hele dag. Actuele openingstijden veranderen per jaar, dus controleer ze bij het toeristenbureau van Teulada-Moraira voordat je erheen loopt. Sta je voor een dichte deur, dan is het rondje eromheen op zichzelf de moeite waard.
Buiten die twee maanden is het gebouw alleen van buiten te bekijken. Dat is minder erg dan het klinkt: de vorm, het talud, de schietgaten, de gracht en het wapenschild zie je allemaal van buitenaf, en dat is het grootste deel van het verhaal.
De wachttoren op de Cap d’Or
Ruim een kilometer ten zuiden van de haven steekt de Punta de Moraira de zee in. Bovenop, op 165 meter hoogte aan de rand van de kliffen, staat de Torre del Cap d’Or.
De toren is van het eind van de zestiende eeuw en hoort bij het netwerk van wachttorens dat langs deze kust werd gebouwd tegen de Berberse piraten. Hij is rond, ongeveer elf meter hoog en zo’n zeven meter in doorsnede, met kraagstenen langs de bovenrand. Naar binnen kun je niet: de toegang is dichtgemaakt.
Het aardigste detail is hoe hij werkte. De wachters van deze toren stonden in verbinding met die van de toren bij La Granadella in Xàbia en met die op de Peñón de Ifach bij Calpe. Een zeil aan de horizon werd via rook, vuur of vlaggen doorgegeven van kaap naar kaap, en zo wist het binnenland binnen een uur dat er iets aankwam. Wie op de Cap d’Or staat en naar het noorden kijkt, ziet meteen waarom juist dit punt gekozen is: je overziet de hele bocht tot voorbij Xàbia.
Dat maakt het bezoek ook zonder het interieur de moeite waard. Je staat op de plek waar tweehonderd jaar lang iemand stond te kijken of er iets aankwam.

Sta je boven, neem dan even de tijd om je te oriënteren. Naar het noorden loopt de kust door richting de Cap de la Nau en Xàbia, met de bergrug van de Montgó daarachter. Naar het zuiden ligt de baai van Moraira met de haven, en bij helder weer steekt de rots van Ifach als een losse kegel uit de kustlijn. Wie de drie punten eenmaal heeft gezien, begrijpt het systeem zonder verdere uitleg.
Nog iets wat opvalt: de toren staat niet op het allerhoogste punt van de kaap, maar net iets eronder aan de zeezijde. Dat is geen toeval. Iets lager betekent minder kans dat je in de wolken of de nevel zit, en een beter zicht op wat er dicht onder de kust vaart. De bouwers dachten in zichtlijnen, niet in uitzichten.
Het netwerk van torens langs deze kust
De toren op de Cap d’Or staat er niet alleen. Hij is onderdeel van een keten die in de tijd van Filips II langs de Valenciaanse kust werd aangelegd, en die keten is precies het onderwerp van de tentoonstelling in het kasteel.
Het idee erachter was simpel en effectief. Zet op elke kaap een toren met een paar wachters erin, zorg dat elke toren de volgende kan zien, en je hebt een waarschuwingssysteem dat sneller werkt dan een ruiter. Rook overdag, vuur ’s nachts. Een zeil dat bij de Cap d’Or werd gezien, was binnen korte tijd bekend in Xàbia en Calpe.
Dat verklaart ook de plaatsing. De torens staan niet waar het uitzicht het mooist is, maar waar de zichtlijn naar de buren het beste is. De Cap d’Or zit precies tussen La Granadella in Xàbia en de Peñón de Ifach bij Calpe in, en op een heldere dag zie je vanaf de top waarom dat werkt.
Wat het systeem niet kon, was verdedigen. Een wachttoren met een paar man erin houdt geen landing tegen; hij geeft de bevolking tijd om zich in het binnenland in veiligheid te brengen. Pas met batterijen als die van Moraira, tweehonderd jaar later, kwam er iets dat terug kon schieten. De twee bouwwerken die je hier ziet, staan dus voor twee verschillende strategieën: vroeg waarschuwen en daarna, veel later, standhouden.
Voor wie er oog voor krijgt: langs deze hele kust staan er meer. Ze zijn bijna allemaal rond, bijna allemaal op een kaap, en ze zijn te herkennen aan diezelfde kraagstenen langs de bovenrand.
De wandeling erheen: SL-CV 51
Naar de toren loopt een gemarkeerd pad, de SL-CV 51, die begint bij het strand van El Portet. De klim is iets meer dan een kilometer, heen en terug ruim drie. Het is een makkelijke route die prima met kinderen te doen is, mits ze gewend zijn aan een uur lopen.
Het pad stijgt gestaag over de flank van de kaap, met de baai steeds dieper onder je. Onderweg heb je uitzicht op El Portet en, als het helder is, tot aan de Peñón de Ifach in de verte. De ondergrond is steen en kiezel, dus stevige schoenen zijn geen overbodige luxe. Loop het niet op slippers, hoe kort het ook is.
Ga vroeg of laat. Er is onderweg nauwelijks schaduw en de zuidhelling vangt de volle zon; tussen twaalf en vier uur in de zomer is het geen pretje. ’s Ochtends vroeg is het koeler, rustiger en het licht op de kust is dan het mooist.
Neem water mee. Er is boven niets, geen kraan, geen bar, geen schaduw. Een halve liter per persoon is bij warm weer het minimum, en met kinderen meer.
De Cova de la Cendra
Op hetzelfde schiereiland ligt een vindplaats die veel minder bekend is dan de toren en archeologisch veel belangrijker: de Cova de la Cendra. Het is een van de belangrijkste vindplaatsen uit het paleolithicum en neolithicum van het westelijke Middellandse Zeegebied.
Dat is geen lokale overdrijving. In dit soort grotten zit de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw in laagjes in de grond, en die laagjes zijn hier goed bewaard. Voor archeologen is de Marina Alta daarmee een sleutelgebied voor de vraag hoe de landbouw zich langs de Middellandse Zee verspreidde.
Je bereikt de grot via hetzelfde pad naar de toren, met daarna een steile trap naar beneden. Beneden kom je in een grote holte; een tweede, ondergrondse ruimte is afgesloten met een hek. Dat hek is er met reden: het is een vindplaats, geen attractie.
Voor wie de trap doet: neem de afdaling serieus. Hij is steil en de treden zijn ongelijk. Met kleine kinderen of bij nat weer kun je hem beter overslaan en het bij de toren houden.
Met kinderen, en wat je moet regelen
Allebei de bezoeken zijn met kinderen te doen, maar ze vragen iets verschillends. Het kasteel is kort en veilig: je loopt eromheen, je kijkt door de schietgaten naar zee en als het open is zie je binnen de tentoonstelling. Voor een kind van zes is dat een kwartier, voor een kind van tien met interesse in piraten aanzienlijk langer.
De wandeling naar de toren is een ander verhaal. Ruim drie kilometer heen en terug is prima te doen, maar het pad loopt over de rand van een klif van 165 meter. Er staat niet overal een hek en er zijn stukken waar je een kind beter bij de hand houdt. Loop het niet met een kind dat nog niet goed luistert, en zeker niet bij harde wind.
Wat je moet regelen: water, schoenen met profiel, een pet en zonnebrand. Wat je niet hoeft te regelen: een ticket voor de toren, want daar kun je niet in. Voor het kasteel geldt dat openingstijden en eventuele toegangsprijs per seizoen verschillen; vraag dat bij het toeristenbureau na in plaats van af te gaan op een oude vermelding op internet.
Honden kunnen mee op de wandeling, aangelijnd. Op het strand bij het kasteel gelden in het hoogseizoen de gebruikelijke beperkingen voor honden, dus reken daar niet op tussen juni en september.
Praktisch: erheen, parkeren, combineren
Het kasteel staat aan de Platja de l’Ampolla, op loopafstand van het centrum en de haven van Moraira. Parkeren doe je in het dorp en niet vlak bij het fort; in de zomer is dat sowieso kansloos. Reken op vijf tot tien minuten lopen vanaf een plek verderop.
Voor de toren rijd je naar El Portet en parkeert daar. Dat is een klein gebied met beperkte ruimte, dus in juli en augustus is vroeg komen de enige werkbare strategie. Buiten het seizoen sta je er zo.
De twee laten zich prima combineren tot een ochtend. Begin met de wandeling naar de toren als het nog koel is, rijd of loop daarna naar het kasteel, en sluit af op een terras aan de haven. Zo heb je in een halve dag het hele verhaal van deze kust gezien, van de zestiende-eeuwse waarschuwing tot de achttiende-eeuwse batterij.
Wil je er meer van dit soort plekken bij: de toren op de Peñón de Ifach bij Calpe hoorde bij hetzelfde waarschuwingsnetwerk, en de beklimming daarheen is een stuk pittiger dan deze. En voor wie het dorp zelf wil ontdekken: Teulada-Moraira heeft in september zijn eigen wijnfeest.
Het beste moment om het kasteel te zien is aan het eind van de middag. Dan staat de zon in het westen en valt het licht schuin over de zuidgevel, waardoor je het metselwerk en het talud pas echt ziet. ’s Ochtends staat het gebouw in tegenlicht vanaf het strand. Fotografeer je liever zonder mensen, kom dan buiten het seizoen: in juli en augustus ligt het strand er tot in de avond vol.
Buiten de zomer is dit sowieso een aangenamer uitje. Het fort staat er het hele jaar, de wandeling naar de toren is in het voorjaar en het najaar juist prettig lopen, en parkeren bij El Portet is dan geen enkel probleem. Februari tot mei en oktober tot november zijn voor dit soort dagen de beste maanden aan deze kust.
Beeldverantwoording
- Het Castell de Moraira vanaf het strand: foto Werner Wilmes via Wikimedia Commons, CC BY 2.0
- De poort met het wapenschild: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
- De wachttoren van de Cap d’Or: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
- El Portet met de Cap d’Or erachter: foto Joanbanjo via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

MILO SCHUIJT